Migratie van amfibieen

Minimaliseren
Gedurende het jaar gebruiken amfibieën verschillende biotopen (leefgebieden) en leven ze zowel in het water als op het land. Voor veel soorten liggen het zomer- en winterbiotoop binnen een straal van enkele tientallen tot honderden meters rond het voortplantingswater. Voor enkele soorten, zoals bijvoorbeeld de gewone pad, kan het winterbiotoop tot wel enkele kilometers verwijderd zijn van het voortplantingswater. De trek van deze soorten is daarom langer en opvallender omdat er een grotere kans is dat er wegen moeten worden overgestoken. Onderstaande tabel geeft een overzicht van gemiddelde trek afstanden van de verschillende soorten.
 
Naast de vaak massale voorjaarstrek naar de voortplantingswateren zijn er nog drie belangrijke trekperiodes voor amfibieën. Hieronder worden alle vier de trekperioden kort beschreven en onderstaand figuur geeft een schematisch overzicht van deze perioden.
 
Foto van een trekkend mannetje kleine watersalamander (begin februari!) - foto: Jelger HerderVoorjaarstrek – naar voortplantingswateren
De salamanders zijn er het vroegste bij, vanaf eind januari trekken ze al naar hun voortplantingswateren. Dit is vaak ook de reden dat er bij overzetacties in maart relatief weinig salamanders worden aangetroffen, het grootste deel is dan al in het voortplantingswater aanwezig. Vanaf eind februari tot april (piek is meestal in maart) trekken de gewone pad, bruine kikker en heikikker naar hun voortplantingswater. Deze trek van de gewone pad is het meest opvallend omdat bij gunstige weersomstandigheden bijna de hele populatie in zeer korte tijd naar het water trekt. Soorten die laat naar hun voortplantingswater trekken (april – mei) zijn de rugstreeppad en boomkikker.
 
Trek van volwassen dieren naar hun zomerbiotoop
Na de voortplanting verlaten de meeste soorten het water en trekken ze naar hun zomerbiotoop. Deze trek verloopt veel geleidelijker dan de voorjaarstrek. Bij padden en kikkers verlaten de vrouwtjes het water vaak direct na het afzetten van de eieren terwijl mannetjes vaak nog lang blijven in de hoop dat er nog verlaatte vrouwtjes bij het water aankomen. Salamanders blijven vaak het hele voorjaar, soms tot in de zomer in het water. 
Door dat de individuele dieren op verschillende dagen terugtrekken is deze trek vaak slecht waarneembaar.
 
Trek van jonge dieren naar hun zomerbiotoop
Van juni tot september trekken de jonge net gemetamorfoseerde dieren vanuit het voortplantingswater naar hun zomerbiotoop. Bij sommige soorten gaat het om zoveel dieren tegelijk dat het een opvallend verschijnsel is. Zo kunnen binnen enkele dagen het overgrote deel van de jonge padjes in een water het land opgaan, dit noemt men ook wel ‘paddenregen’ (Zie foto).
 
Najaarstrek – naar winterbiotoop
De trek van de zomerleefgebieden naar de overwinteringsplaatsen verloopt voor padden en kikkers vaak heel geleidelijk en is daarom slecht waarneembaar. Bij salamanders is deze trek soms wel erg massaal. Vooral als er na een lange droge periode regen valt trekken de salamanders massaal naar het winterbiotoop. Indien hierbij drukke wegen moeten worden overgestoken vallen er vaak enorme aantallen slachtoffers.

 Trekschema amfibieën (copyright Econnection)